Geachte Openingsredenaar,
Beste Benoît,
De bookmaker binnen het VPG heeft weinig geld moeten uitkeren: als professor gerechtelijk recht en met een alom volprezen doctoraal proefschrift over de taakverdeling in het burgerlijk proces, waarin u pleit voor een actieve rechter die optreedt als een soort procesmanager en waarin u de mogelijke implicaties hiervan op het beschikkingsbeginsel onderzoekt, mochten wij hoopvol en terecht vermoeden dat ook de rechter het onderwerp van uw rede vandaag zou zijn. Wij werden daarbij gesterkt door het algemeen bekende feit en adagium “waar het hart vol van is, loopt de mond van over” – helaas nog niet door het Hof van Cassatie erkend, maar daaraan werken we nog.
U deelt deze passionele liefde voor magistraten met ons en met openingsredenaars die u voorafgingen. Onder andere Prof. Bruno MAES had het in 1983 over de onpartijdige rechter. Dit is uiteraard niet verwonderlijk aangezien het opzet van ons allen pleiters er toch in berust de rechter(s) te overtuigen van het grote gelijk van onze cliënten. Een studie over het functioneren van de personen die wij trachten te overtuigen en hoe deze omgaan met het begrip “kennis” is bijgevolg uiterst belangrijk. Gelet op het publieke geheim en opnieuw het nog niet door het Hof van Cassatie erkende algemeen bekende feit dat een aantal griffiers erg beslagen zijn in het maken van vonnissen, durven wij te suggereren dat u uw studie in een later stadium misschien moet uitbreiden tot deze beroepsgroep?
In uw rede stelt u uw vizier scherp op de kennis van de magistraat en de aanwending daarvan in het oordelen over de zaken die hem worden voorgelegd. U maakt daarbij een onderscheid tussen de kennis van de rechter over de feiten van de zaak en zijn kennis van het recht.
Sta me toe eerst terug te komen op uw aanbeveling inzake persoonlijke kennis, daarna zal ik me richten tot uw besluit waarin u stelt dat de rechter abstractie moet maken van zijn afkomst, zijn geloof, zijn politieke overtuigingen en zijn omgeving. Ten slotte weid ik graag kort uit over de uitsmijter van uw rede : de naakte grijsaard.
Uw aanbeveling aan onze magistraten is kristalhelder: een rechter die zich rekenschap geeft van een mogelijke schending van het verbod op het gebruik van persoonlijke kennis, moet zich afvragen of zijn onpartijdigheid in het gedrang komt. Is het antwoord bevestigend dan dient hij zich terug te trekken. Indien hij meent dat zijn onpartijdigheid niet in gedrang komt maar het feit wel een rol speelt in de beoordeling dan dient hij de behandeling van de zaak te schorsen en het feit ter kennis te brengen van de partijen.
Voor de rechtzoekende zal uw richtlijn na een eerste lezing eerder bevreemdend overkomen. U zal hem met veel vuur moeten uitleggen dat de persoonlijke kennis van de feiten door de rechter in zijn nadeel kan spelen en tot willekeur zal leiden.
De leek zal immers oordelen dat de rechter idealiter bij alle feiten zelf aanwezig is, zoals de kijkers bij een reality-show. Deze situatie zal hem immers verkieslijker lijken dan degene waarbij de magistraat alle feiten van partijen of uit stukken zoals politionele verslagen dient te vernemen. De rechtsonderhorige zal er geen probleem in zien dat de rechter gebruik maakt van zijn persoonlijke kennis dat een bepaalde vrouw een dame van lichte zede is, tenzij hem het empathisch vermogen wordt gevraagd de plaats van die dame in te nemen.
U wijst in dit verband terecht naar de problemen van rechten van verdediging en onpartijdigheid van de rechter.
U dient evenwel te erkennen dat het toepassen van de aanbeveling niet altijd eenvoudig zal zijn zoals bij het onopzettelijk verwerven van persoonlijke kennis. De rechter mag niet paranoïde worden en alle contacten met advocatuur en andere actoren gaan vermijden uit vrees te worden geconfronteerd met persoonlijke kennis van een zaak en zo een perceptie van vooringenomenheid in te hand te werken. Goede contacten tussen magistratuur en advocatuur zijn noodzakelijk, maar beiden dienen in hun eigen belang verstandig om te gaan met deze contacten.
Ik kom tot uw besluit (helaas, waarde toehoorders, nog niet mijn besluit): U stelt daarin dat de rechter abstractie moet maken van zijn afkomst, zijn geloof, zijn politieke overtuigingen en zijn omgeving.
Dit is juist, indien zijn afkomst, zijn geloof, zijn politieke overtuigingen en zijn omgeving hem zouden leiden tot vonnissen of arresten, waarmee hij het recht op onpartijdigheid, het recht op een eerlijke rechter of het recht in het algemeen,… schendt. Maar ik sluit me graag aan bij de steeds verderspreidende stelling dat de rechter aan het eind van de dag willens nillens aan politiek doet, zelfs indien hij zich houdt aan de regels van het procedurerecht. Begrijp me goed: politiek niet in de zin van partijpolitiek. Politiek is in deze betekenis de wijze waarop in een samenleving de belangentegenstellingen van individuen en groepen tot hun recht komen: het is beleid. Iedere rechterlijke beslissing is een afweging tussen goed en kwaad, van schuld en boete, van wat aan God en wat aan Caesar toebehoort.
Een vonnis of arrest heeft steeds een maatschappelijke dimensie. Zelden is recht spreken een slaafse toepassing van de wet. Rechters beschikken over een breed arsenaal aan oplossingen voor een concreet probleem en hebben een grote vrijheid om een rechtsregel te gaan interpreteren. Dat is nodig, want niet zelden vult de rechter de gaten op die de wetgever – al dan niet bewust – heeft gelaten.
Uiteindelijk geeft u zelf ook toe dat het gebruik van persoonlijke kennis vaak zeer moeilijk te bewijzen is en alleen kan gesanctioneerd worden via de omweg van de bijzondere motiveringsplicht van de rechter. Nodeloos te stellen dat achter de formele motivering van een vonnis of arrest andere elementen kunnen schuil gaan die niet uit het vonnis blijken en moeilijk te bewijzen zijn.
Ik zie het verbod op het gebruik van persoonlijke kennis hoofdzakelijk als een toepassing van het recht van verdediging en als een onwrikbare deontologische regel voor magistraten. Door het scrupuleus naleven van uw aanbeveling waarborgen zij de rechten van verdediging en kunnen zij voorkomen dat hun onpartijdigheid in twijfel wordt getrokken, wat voor een magistraat toch ongeveer het ergste is wat hem kan overkomen.
Ten slotte kom ik graag terug op uw uitsmijter: de rechter als naakte grijsaard. U verwijst hiervoor naar het beeldhouwwerk van Julien DILLENS dat zich in dit huis bevindt.
Twee bedenkingen hierbij.
In deze tijden waarin blozende wangen en jeugdigheid het ideaal zijn en iedere onderneming jobadvertenties plaatst die laten vermoeden dat de gemiddelde leeftijd in hun bedrijf 25 jaar is, slaagt u erin om de magistraat als een naakte grijsaard voor te stellen. Ik hoop alvast dat de magistratuur geen beroep zal doen op uw diensten als marketeer voor het aantrekken van nieuwe krachten. De rechterlijke macht kan beter haar oor te luister leggen bij de OVB voor het ontwikkelen van een pakkende slogan zoals “Word magistraat. Beter vroeg dan laat.”
Meer fundamenteel meen ik dat het beeld dat u ophangt van een grijsaard geen garantie is voor de eigenschappen die u hem toedicht. U stelt terecht dat de rechter niet naar de zittingszaal moet komen met de kennis van een pasgeboren baby. U zegt dat de rechter zijn wereld moet kennen aangezien zijn ervaring en levenswijsheid hem goed van pas komen in zijn taak. De grijze haren staan volgens u voor de ervaring en wijsheid van de rechter.
Het beeld van de grijze haren houdt evenwel geen garantie in voor de eigenschappen die u een goede rechter toedicht. U kijkt naar een sprekend voorbeeld: wijsheid en ervaring laten zich niet meten aan de vergrijzing of het ontbreken van de haardos, maar wel aan de hand van objectieve maatstaven. Permanente vorming, zoals u aanhaalt, is daarbij een must. Het “personeelsbeleid” van de rechterlijke macht moet zich m.i. distantiëren van de oude gewoontes van overheidsdiensten waarbij hij of zij met de langste staat van dienst automatisch het mandaat krijgt om de dienst te leiden of voorrang krijgt bij een promotie op jongere collega’s. Anciënniteit is geen voldoende garantie op kwaliteit, noch is het m.i. een goede basis voor de verloning van magistraten. Men zou perfect systemen van prestatiewaardering of competentieverloning kunnen inbouwen. Een objectief personeelsbeleid is een belangrijk instrument om het vertrouwen van de burger in de rechterlijke macht te herstellen. U stelt terecht dat wat de advocatuur kan, de magistratuur eveneens moet kunnen. De heilige graal van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt in dat verband te vaak gebruikt als een excuus om niets te doen.
Mijn tweede bedenking bij uw beeld van de naakte grijsaard is dat u de beeldengroep slechts selectief gebruikt en geen oog heeft voor het geheel. Hoewel ik geen argumenten heb om u te beschuldigen van misogynie, valt het mij op dat u geen aandacht heeft voor de beide vrouwen die deel uitmaken van de beeldengroep, waarvan één van beide een pasgeboren kind draagt.
De naakte grijsaard is in werkelijkheid koning Salomo, koning van Israël en de zoon van David en Batseba. Volgens de bijbelse geschriften regeerde Salomo van ongeveer 975 v.Chr. tot 925 v.Chr. en bouwde volgens de Hebreeuwse Bijbel de eerste Joodse tempel. Koning Salomo stond bekend om zijn wijsheid, wat onder meer bleek uit zijn vermogen recht te spreken, zoals het beroemde salomonsoordeel waarvan ik u de feiten kort zal vertellen.
Op een dag werden twee vrouwen voor koning Salomo gebracht die beiden het moederschap over hetzelfde kind betwistten. Volgens de ene vrouw had de andere vrouw haar kind heimelijk weggenomen, nadat ze haar eigen kind in haar slaap had doodgedrukt. Nu claimden ze beiden het kind. De wijze vorst liet een scherprechter komen en zei: "Aangezien u beiden het kind wilt bezitten, zal ik het rechtvaardig in tweeën laten delen. Beul, hak met uw zwaard het kind in tweeën!" De onechte moeder keek tevreden, maar de echte moeder viel snikkend voor de wijze vorst neer en riep: "Geef haar het kind, maar laat u het alstublieft in leven!" Salomo keek goedkeurend op haar neer, zond de beul weg en zei: "Alleen een echte moeder reageert zoals u deed. Hier is uw kind!"
Het principe van het salomonsoordeel, wat men met een moderne term paradoxale toewijzing genoemd heeft, leeft onder andere voort in het Nederlands familierecht waar het wordt gebruikt in het kader van de toewijzing van een kind aan de ouder die het minst de strijd zoekt over een kind bij discussies over de toewijzing van voogdij of ouderlijk gezag .
De veronderstelling waarop koning Salomo zijn oordeelt velt, met name dat alleen een echte moeder het moederschap zou afstaan indien haar verdere aanspraken de dood van het kind zouden betekenen, doorstaat m.i. niet de test m.b.t. het verbod op het gebruik van persoonlijk kennis. Deze veronderstelling is allerminst een notoir feit vergelijkbaar met de kennis dat Frankrijk een Europese lidstaat is, de maanstanden waarop confrater Lincoln zich beriep, de “Glenn Miller sound” of de speelwijze van “Baccarat”. Het gaat evenmin om een ervaringsregel uit een normale levenservaring vergelijkbaar met de notie dat persoon X niet om 10u.00 in Antwerpen kan zijn als hij maar om 9u.45 in Kortrijk is vertrokken.
Hanteerde koning Salomo een feitelijk vermoeden? Leidde hij het bewijs van een ongekend feit (het biologisch moederschap) af uit een feit dat wel gekend is en daarmee in redelijk verband staat? Ik denk het niet. Zoals u zelf betoogt heeft het Hof van Cassatie duidelijk gesteld dat de rechter mag werken met vermoedens zolang hij ze afleidt uit gegevens die uit het dossier blijken. Wordt het vermoeden afgeleid uit louter persoonlijke opvattingen van de rechter, dan begaat de rechter een onwettelijkheid.
Het lijkt erop dat het Hof van Cassatie van de 21ste eeuw het salomonsoordeel naar alle waarschijnlijkheid zou verbreken wegens het aanwenden van persoonlijke veronderstellingen en schending van de rechten van verdediging. Daar staat hij dan: de naakte grijsaard in zijn blootje.